Hallo Andreas!
Goedendag,
mijn vraag is vooral gericht aan degenen die een Analyser pro hebben. Mijn vraag: in de handleiding staat dat de berekende belichtingstijd uitsluitend is gebaseerd op de helderste plek van het negatief, dus op de schaduwen?! Dus ik meet eerst de heldere plekken op het negatief en daarna de donkere (hooglichten). Aan de andere kant zegt iedereen echter altijd dat de Analyser Pro de belichtingstijd berekent op basis van de hoge lichten en de gradatie op basis van de schaduwen? Dat lijkt mij ook logischer! Ik heb een Duitse handleiding, misschien is er een fout in de vertaling geslopen. En bij het testen van de papiergevoeligheid moet ik immers een meting doen zonder negatief, met de vergroter op maximale vergrotingsfactor en met diafragma gesloten. De tijd zou tussen de 10 en 20 seconden moeten liggen. Bij mij is de tijd 4-5 seconden en ik heb geen ND-filter! Bij mijn apparaat waren er geen vooraf ingestelde waarden opgeslagen in de papierkanalen. Kan het daaraan liggen dat er zulke korte tijden uitkomen? En dat de tijd van 5 seconden dan wel goed is?
Hartelijk dank
Andreas
Ik heb dat ding, maar welke heb jij?? Een nieuwe??? In nieuwstaat staan in alle papierkanalen de waarden voor de gevoeligheid van de gradaties allemaal op 0, omdat de in te voeren waarden slechts de afwijkingen zijn van de werkelijke gevoeligheden van een papiersoort ten opzichte van de onderliggende soort, namelijk Ilford MGIV. Voor PAP1 zijn de ISO-R-waarden van de MGIV echter al opgeslagen; zo niet, dan heeft iemand ze gewist (op 0 gezet).
Nu over naar de belichtingsmeting: het apparaat weet bij een enkele meting op zich niet welke beeldpunten je meet, maar gaat er altijd vanuit dat het om de helderste lichten gaat (niet te verwarren met de hooglichten!), dus om de plekken met een hoge negatiefzwartheid. De gemeten beeldplaats zou dus, bij het volgen van de door het apparaat voorgestelde tijd, in het beeld als het lichtste grijs verschijnen (uitgaande van een juiste kalibratie). Het apparaat merkt echter natuurlijk, wanneer je verschillende beeldplaatsen achter elkaar meet, welke daarvan de donkerste was en baseert zijn tijdvoorstel uitsluitend op deze ene meting. Op het display krijg je echter met de oplichtende diodes een indicatie van waar op de helderheidsschaal de andere door jou gemeten plekken zich bevinden.
Omdat het apparaat bij elke meting ook de gemeten relatieve dichtheid (kort) weergeeft, dus de dichtheid van het meetpunt in vergelijking met de dichtheid van het allereerste meetpunt van een meetreeks, stelt de handleiding voor om als allereerste meetpunt van een reeks een heel dunne plek van het negatief (dus een diepe schaduw) te meten, omdat alleen dan de weergegeven dichtheidswaarden überhaupt zin hebben. Maar al bij de 2e meting van zo'n reeks meet je een heel dicht gebied, dat dan de voorgestelde waarde voor de belichtingstijd oplevert. Als je niet geïnteresseerd bent in de dichtheden, hoef je je hier echter niet aan te houden.
Om de papiergevoeligheid te testen: het maakt het papier helemaal niets uit welke timer de belichting regelt, het heeft zijn gevoeligheid en daarmee is de kous af! Je moet alleen uitvinden hoe deze gevoeligheid verschilt van die van de MGIV, en wel in stappen van +/-1/12 diafragma. Er wordt inderdaad een hoog ingestelde VG-kop en sterk diafragmeren aanbevolen, om de door het vooraf gekalibreerde apparaat vastgestelde MGIV-aanbeveling (voor het lichtste grijs, zie hierboven) in een tijdsbereik te laten vallen dat ook naar beneden toe nog een paar diafragmastappen speelruimte laat voor nog gevoeliger papier dan MGIV (dat zullen er niet zo veel zijn....). Dat is overigens ook nog het geval bij gemeten 5 seconden, hoewel je dan natuurlijk al het vermoeden kunt hebben dat je ofwel een ongelooflijk heldere VG-kop hebt, ofwel dat in het gebruikte papierkanaal de regelaars toch niet allemaal op 0 staan. Uiteindelijk moet je de analysator ertoe brengen je de juiste tijd voor het helderste grijs met dit papier weer te geven – je ziet zelf wel of je dat uiteindelijk gelukt is.
Veel succes, Karl