PeterTV
Hallo,
Ik heb via eBay een "nieuwe" Multitimer MP104 van FEM gekocht. Het apparaat is afkomstig uit een bedrijfsopheffing en zou nieuw zijn.
Aan de hand van het bijgeleverde testnegatief en het grijskaartpatroon heb ik de index voor mijn papier (oud TT Variospeed - Agfa MCP) bepaald.
Vol enthousiasme ben ik vervolgens aan de slag gegaan met het vergroten en heb ik twee zeer donkere plekken met doordruk en twee lichte plekken met doordruk gemeten. Het gemiddelde van de meting was 33 s.
Bij de daaropvolgende teststrook voor de fijnafstelling van de belichting klopte echter geen van de waarden – 33,1 s – 1/3; +1/3, + 2/3 diafragma boven de tijdklok.
Pas bij 57 s werd de gewenste dichtheid bereikt.
Mijn vraag is nu: is er een verband tussen de leeftijd van de meetsonde en de gevoeligheid, d.w.z. zou de gevoeligheid van de meetsonde moeten toenemen naarmate de leeftijd toeneemt en het licht afneemt?
Welke invloed heeft de leeftijd van het papier – TT Variospeed wordt al enige tijd niet meer verkocht –? Het is noch traag, noch zacht. Kan het zijn dat papier, voordat het onbruikbaar wordt, een sterker Schwarzschild-effect vertoont?
Als ontwikkelaar gebruik ik Agfa NEUTOL WA. De fles is ongeveer 1 jaar open, maar staat donker en koel. Kan de ontwikkelaar een enorme invloed uitoefenen op de gevoeligheid van het papier?
Hier nog een opmerking over het ontwikkelingsproces.
Papier in Jobo-trommel CPA 2 bij 20 °C, telkens 160 ml
90 sec. ontwikkeling NEUTOL WA 1+15, telkens 20 ml verlies, zodat na 8 vellen (24x30 cm²) de ontwikkelaar volledig was vervangen
30 sec. stopbad op basis van citroenzuur
30 sec. fixeer I (snelfixeer 1+4)
30 sec. fixeer II (snelfixeer 1+4)
Spoelen met vier waterwisselingen na 30, 60, 120 en 240 sec.
Het proces wordt constant aangehouden en uitgevoerd met een procesklok.
Ik ben jullie dankbaar voor jullie opmerkingen.
Wolf_XL
...er komen me – uit eigen ervaring – twee dingen te binnen:
- Je moet je beperken tot de lichtste en donkerste plek op het negatief – dat is ruim voldoende. Want of je in staat bent om naast de op één na donkerste plek ook de op één na lichtste plek te vinden, betwijfel ik... Ik heb de ervaring dat een meerpuntsmeting niets oplevert – hoe meer punten ik meet, hoe onnauwkeuriger het resultaat werd...
- Het kalibreren van het apparaat met behulp van een testnegatief vind ik ook niet optimaal – want in de praktijk biedt een negatief zelden het volledige contrastbereik. Ik zou een gemiddeld negatief gebruiken voor de kalibratie.
De FEM heeft echter – voor zover ik weet – een knop waarmee je je papierindex kunt corrigeren. Dat zou als volgt moeten werken:
1. Meet de lichtste en donkerste plek
2. Belicht het papier, ontwikkel het – optimaliseer vervolgens de belichtingstijd totdat het positief is zoals gewenst.
3. Herhaal de meting, voer de optimale tijd handmatig in en druk op de indexknop. Het indexcijfer wordt nu opnieuw berekend en weergegeven. Noteer deze index op de papierdoos.
hansschneider
Beste Peter,
Ik heb twee MP 109’s van Kunze, die voor zover ik weet slechts in kleine details van jouw toestel verschillen, maar ook en vooral in het feit dat bij de 109 de donkerekamerverlichting aan mag blijven, terwijl dat bij de 104, als ik me niet vergis, niet mag.
Dat brengt ons bij de eerste mogelijke fout: heb je alle metingen uitgevoerd terwijl de donkerekamerverlichting uitgeschakeld was?
Het tweede punt: afstemming op de papiergevoeligheid met behulp van een testnegatief: dat werkt hier heel goed, in tegenstelling tot de meningen van derden die blijkbaar op pure gissingen berusten en daarom als weinig nuttig kunnen worden beschouwd.
De fout, als de bij het meten optreedt, ligt naar mijn mening waarschijnlijk niet bij de afstemming met behulp van een testnegatief, maar bij het daaropvolgende gebruik met de te vergroten negatieven. Je schrijft dat je op twee zeer donkere en vervolgens op twee lichte plekken hebt gemeten. Hier ligt naar mijn ervaring de grootste mogelijke oorzaak van fouten; een belichtingsmeter vervangt de ervaring niet. Je moet – en dat kan alleen door te oefenen – zulke donkere plekken vinden waar je nog details kunt onderscheiden, en bij de lichte plekken, dus de schaduwen, idem. Daar komt nog bij dat hier niemand weet of je negatieven niet onderbelicht zijn; dat zou op basis van je beschrijving ook het geval kunnen zijn (vandaar de lange belichtingstijden).
Als je zeker weet dat je een normaal belicht negatief hebt, meet dan op twee "middel-donkere" en vervolgens op twee "middel-lichte" plekken.
Een andere mogelijke fout zou in de bediening kunnen liggen. Weet je hoe je de gevonden meetwaarden, bepaald bij volledig open diafragma of één stop gedimd, op het werkdiafragma krijgt?
Wat het hier mogelijk nog moeilijker maakt, is dat de handleidingen van Kunze weliswaar uitgebreid zijn, maar duidelijk geschreven zijn door technici en ingenieurs, en dat zou hen absoluut verboden moeten worden. Om ook na langere pauzes niet weer de vier verschillende boekjes en papiertjes te hoeven doorwerken, heb ik zelf een eigen handleiding geschreven, en die past wonderbaarlijk genoeg op twee pagina's.
Tot slot is er nog de vraag over de ontwikkelaar en het papier. De ontwikkelaar die je gebruikt is (als ik me goed herinner) volgens Agfa na zes weken in de geopende originele fles niet meer bruikbaar. Gebruik je voor het afstemmen en het vergroten dezelfde combinatie van papier en ontwikkelaar?
Samenvattend vermoed ik dat je probleem niet aan de apparaten ligt, maar aan het afstemmingsproces. Dat is in ieder geval te hopen voor jou, want procesfouten kun je verhelpen, maar apparatuurstoringen zijn duur.
Indien nodig help ik je graag bij de afzonderlijke meetstappen, voor zover dat hier mogelijk is. Mocht het je troosten: in het begin heb ik de apparaten ook vervloekt, maar de fouten zaten, zoals bijna altijd, voor de knoppen. Over het geheel genomen zijn de Kunze-apparaten geniaal, omdat ze je altijd de controle over de afzonderlijke stappen laten.
Conclusie: als je bij de tweede of derde poging, na het instellen van de individuele papier-/ontwikkelaargevoeligheid op het apparaat, een goede afdruk van het testnegatief krijgt, ligt het vrij waarschijnlijk aan je volgende werkstappen.
Met vriendelijke groet
Hans
cfb_de
Hallo Hans,
Ik ben het helemaal met je eens. Zou je je tweezijdige schakelaar hier misschien eens beschikbaar kunnen stellen?
Eigenlijk lijken de Kunze-104 en mijn Trialux niet veel van elkaar te verschillen. Metingen in de *donkere* kamer. Dit kan overigens worden omzeild met een geschikt bedrade kruisschakelaar. Zolang een elektricien maar niet merkt dat er 12/24 V en 235 V netspanning op één schakelaar zitten.
Het zou natuurlijk juist zijn om daar een relaiskast tussen te schakelen en de beschermende laagspanning pas ergens daarna te laten komen...
Met vriendelijke groeten,
Franz
Urnes
Ja Hans, daar ben ik het helemaal met Franz eens; ik zou ook wel interesse hebben in die tweezijdige. Aangezien ik niet zo vaak in het lab kom, moet ik me dan weer door die meer dan droge handleiding heen worstelen.
Voor de rest moet ik zeggen dat ik meer dan tevreden ben met mijn 104. Als er iets niet klopt, komt dat meestal doordat ik ofwel het verkeerde punt heb gemeten ofwel gewoon een ander beeld voor ogen heb, maar dan heb ik wel een goede basis om de parameters aan te passen.
Groeten, Sven.
hansschneider
Zou je je dubbelpagina hier misschien even kunnen plaatsen?
Beste Franz,
dat doe ik graag, maar ik zal de tekst eerst kritisch bekijken, aangezien ik hem voor mezelf heb geschreven en er daarom mogelijk dingen in staan die voor mij vanzelfsprekend zijn.
Ik vraag je om even geduld.
Met vriendelijke groeten
Hans
cfb_de
Hallo Hans,
Alvast hartelijk dank!
Met vriendelijke groeten,
Franz
AndyBauer
Hallo,
En hoe is het sindsdien verder gegaan?
Dat zou ik heel graag willen weten.
Groeten, Andy
Hallo Hans,
Alvast hartelijk dank!
Met vriendelijke groeten,
Franz
Wolf_XL
...waarschijnlijk is hij nog steeds aan het experimenteren met negatieve testresultaten, of hij heeft het allang opgegeven omdat hij naar die zelfvoldane praatjesmaker Hans Schneider heeft geluisterd in plaats van naar ingenieur Wolf_XL... ;-)
Wolkenkratzer
Hallo
Ik heb een Trialux en had in het begin een soortgelijk probleem. De kern van het probleem was een verkeerde kalibratie. Pas dankzij een tip van een zeer ervaren fotograaf begonnen de resultaten te verbeteren. Tegenwoordig lukt het me om bij normale opnames met de Trialux meteen goede resultaten te behalen.
Ook ik gebruik een testnegatief, een grijswaaier, met verschillende grijsniveaus met dichtheden van 0 tot 1,65. Daarop heb ik het papier gekalibreerd en voor elke papiergradatie de papierindex bepaald. Tussen het maken van de testafdruk en het meten van de papierindex mogen geen lichtschommelingen optreden. Strooilicht, DUKA-licht, reflecties door lichte kleding enz. Schommelingen aan de vergroter door ik-weet-niet-wat hadden bij mij verschillende papierindexen veroorzaakt.
Ik heb voor elke grijswaarde een papierindex opgesteld. Ik ga als volgt te werk: eerst meet ik door middel van een dichtheidsmeting in het negatief een representatief dichtheidspunt. Daarna bepaal ik de papiergradatie. Vervolgens voer ik voor deze papiergradatie en voor deze grijswaarde de papierindex in. Ik meet de belichtingstijd op het representatieve punt. Dus een enkelpuntsmeting.
Met het berekenen van het gemiddelde tussen het lichtste en het donkerste punt behaalde ik zelden meteen goede resultaten. Meestal gebruik ik het berekenen van het gemiddelde alleen als de grijswaarden rond de referentiewaarde van de grijsschaal schommelen. Ook een referentieopname op een homogeen oppervlak als eerste beeld op de film geeft een eerste indicatie voor de belichtingstijd. Ik weet dat mijn belichtingsmeter graag op het gemiddelde grijs belicht. Dat wijs ik toe aan de referentiedichtheid 0,75. Meestal is dat voldoende om snel een serie op ansichtkaarten af te drukken.
De dichtheden van de grijsschaal moeten boven de sluierdichtheid van het negatief liggen. Hiervoor heb ik een onbelicht deel van een negatief met plakband op de grijsschaal geplakt. De sluierdichtheden liggen bij mij tussen 0,25 en 0,35. Ook de belichtingskwaliteit van de vergroter verbaasde me. Het werkdiafragma met een maximale afwijking van 0,08 tussen de rand en het midden bedraagt bij mijn Schneider 2,8/50 mm f5,6. Bij f2,8 bedraagt de afwijking zelfs 0,25. Een omstandigheid die bij een kalibratie voor hoofdbrekens zorgt.
Ook de afstand moet binnen het bereik van de gebruikelijke vergrotingsfactor liggen. Invloeden van strooilicht kunnen je daar wanhopig maken. Tussen ansichtkaarten en 25x30 heb ik verschillende papierindexen.
De kalibratie loopt van het papier via de vergroter, inclusief alle storende invloeden, naar het meetapparaat. Hier moeten alle storende invloeden tot een minimum worden beperkt.
De papierindex definieert de papiergevoeligheid voor een bepaalde grijswaarde op het papier. Een beetje zonetheorie helpt al een beetje om de verbanden goed te begrijpen.
Na de derde poging had ik het onder de knie.