HansDerHase
Ik heb nu verschillende reeksen met belichtingen ontwikkeld en wat blijkt:
Met de door de fabrikant aanbevolen 4+4 × 3 sec. kanteling had ik duidelijk overbelicht. Een goed scanbaar negatief krijg ik bij 2,5+2,5 × 3 sec. kanteling als ik FP4+ belicht met ISO 200. ISO 400 werkt ook prima. Bij 3,5+3,5 × 3 sec. kantelen zijn de negatieven al te donker om te scannen.
Ik krijg ook goede resultaten bij 3,5+3,5 × 1 min. kantelen.
D.w.z. fabrikant naar mij =
4+4 naar 2,5+2,5
resp.
6+6 naar 3,5+3,5
Kan iemand verklaren waarom "ik" zo sterk afwijk van de fabrieksspecificaties?
Met vriendelijke groet
Bernd
FrankJBeckmann
Hoi Bernd,
Zulke korte ontwikkeltijden zijn nauwelijks te reproduceren. Alleen al het sneller of langzamer in- of uitgieten van de ontwikkelaar kan al tot een flinke afwijking leiden. En zie ik het goed dat je de negatieven alleen scant, maar ze nooit in een vergroter legt? Scanners geven vaak de voorkeur aan "dunne" negatieven, die je niet goed kunt gebruiken met een vergroter. Heb je wel eens gekeken naar de schaduwweergave van de negatieven die je op 400 ASA hebt belicht? 200 ASA geloof ik nog wel van de FP4+ in Emofin, maar bij 400 ASA zou er in de schaduwen niet veel meer te zien moeten zijn.
HansDerHase
Klopt, ik ben alleen van plan de negatieven te scannen.
Bij 400 ASA heb ik (naar mijn smaak) nog steeds voldoende schaduwdetail. Maar ik ben dan ook meer een film noir-type :-)
Mijn grootste probleem als ik langer dan 3+3 ×3 sec. ontwikkel, is de steeds irritantere korrel. Bij 4+4 is de korrel ronduit obsceen. Maar dat komt waarschijnlijk ook doordat de scanner dan met zijn zwakje nauwelijks nog door het negatief heen kan schijnen en dan alleen nog maar "een paar klontjes" weergeeft.
FrankJBeckmann
Hoi Bernd,
Vooral scanners die met gericht licht werken, hebben het erg moeilijk met zwart-witfilms en geven de korrel vergroot weer. Chromogene kleurenfilms werken in dit geval beter.
Als je bereid bent af te zien van veel detail in de schaduwen, dan kun je de film ook met zo weinig mogelijk licht onderwerpen aan belichting.
Renate
Hallo,
Met scanners is het altijd een beetje een gok. Wat op papier eruitziet als een heel normale, voor film typische korrel, kan er na het scannen totaal anders uitzien, en het resultaat hangt sterk af van de ingestelde parameters en de scanner. De vergroter kan niet zomaar door een scanner worden vervangen.
Allereerst is er de vraag: welke scanner is gebruikt? Hoe werkt de doorlichtunit? Welke software is gebruikt? Welke resolutie was ingesteld?
Veel programma's schakelen tijdens het scannen automatisch de verscherping in. Dit leidt ertoe dat de korrels worden samengeperst. De korrel ziet er dan erg grof uit.
Als de resolutie van de scanner ongeveer even groot is als de korrels op de film, wordt de aftasttheorie geschonden. Er ontstaan pretses met lage ruimtelijke frequenties, die dan als monsterkorrel in het beeld zichtbaar zijn. De monsterkorrel staat niet echt op het negatief. Deze wordt pas door de transformatie tijdens het scannen gegenereerd.
Als vuistregel geldt dat men de resolutie van de scanner aanzienlijk kleiner of aanzienlijk groter moet kiezen dan de grootte van de ontwikkelde korrel.
Met vriendelijke groeten
Renate
HansDerHase
Allereerst is er de vraag: welke scanner is er gebruikt? Hoe werkt de doorlichtingseenheid? Welke software is er gebruikt? Welke resolutie was ingesteld?
KM SD IV - KM-software - 3200 DPI.
Veel programma's schakelen tijdens het scannen automatisch de verscherping in.
Ik moet eens kijken of er automatisch wordt toegevoegd aan de scherpte...
Als de resolutie van de scanner ongeveer even groot is als de korrels op de film, wordt de aftasttheorie geschonden. Er ontstaan flutteringen met lage ruimtelijke frequenties, die dan als monsterkorrels in het beeld zichtbaar zijn.
Oei... dat klinkt als natuurkunde.
Als vuistregel geldt dat je de resolutie van de scanner aanzienlijk kleiner of aanzienlijk groter moet kiezen dan de grootte van de ontwikkelde korrel.
Goede tip. Maar hoe weet ik hoe groot mijn ontwikkelde korrel is?
Hartelijk dank en vriendelijke groeten
Bernd
FrankJBeckmann
Goede tip. Maar hoe weet ik hoe groot mijn ontwikkelde korrel is?
[right][post="7720"]<{POST_SNAPBACK}>[/post][/right]
Gewoon op de traditionele manier vergroten? Maar pas op, dat kan verslavend zijn.
cfb_de
Hallo Bernd,
Oei... dat klinkt als natuurkunde.
Ja. Wat de chemie is van de analoge Duka, dat is de natuurkunde bij het scannen. Zonder een fundamenteel gevoel voor de basisprincipes lukt geen van beide.
Maar hoe weet ik hoe groot mijn ontwikkelde korrel is?
Een loep met schaalverdeling. Ook wel bekend als "draadteller met schaal". Ideaal zouden die handige stereomicroscopen zijn van bijvoorbeeld Zeiss of Leica. Je hoeft die niet te kopen, sommige apotheken hebben ze, en goudsmeden/horlogemakers meestal ook.
Deze problemen interesseren mij echter eerder zijdelings: ik werk puur chemisch in de klassieke Duka. Daar hoef ik geen rekening te houden met de resolutietheorie van een scanner, geen "ICE", geen "automatische creatie" of andere rommel ;-)
Met vriendelijke groeten,
Franz
Wolfgg
Dan ga ik even in op de bemonsteringstheorie:
De bemonsteringstheorie is niets mysterieus. Wie een audio- of video-cd/dvd heeft, heeft dit als het ware in huis. Zonder deze theorie is een eersteklas kwaliteit namelijk onmogelijk. Voorbeeld geluid: om frequenties tot 20 kHz onvervalst op te nemen, schrijft de bemonsteringstheorie voor dat de bemonsteringsfrequentie minstens het dubbele van de hoogste signaalfrequentie moet bedragen, hier dus minstens 40 kHz. Waarom? Omdat bemonstering wiskundig gezien niets anders betekent dan vermenigvuldiging, waarbij altijd de som en het verschil tussen de bemonsteringsfrequentie en de signaalfrequentie(s) ontstaat. En in dat verschil zit de crux. Als men namelijk een toon van 20 kHz met slechts 30 kHz zou bemonsteren, ontstaat de verschilfrequentie van 10 kHz, die zich bij 10 kHz met het originele signaal overlapt en zo stoort. Of nog extremer: 20 kHz bemonsterd met slechts 20,1 kHz levert 0,1 kHz op. Deze nieuwe frequenties, die pas door de bemonstering ontstaan, noemt men beatfrequenties. In de praktijk kiest men de bemonsteringsfrequentie minstens 3 keer zo hoog als de hoogste signaalfrequentie, zodat er nog ruimte is voor filters.
Op de film staan weliswaar geen geluiden, maar hetzelfde geldt ook voor ruimtelijke frequenties. Dit zijn niets anders dan regelmatige lijnrasters (bijv. 100 lijnparen/mm zijn per mm 100 keer een lijn gevolgd door een even grote opening, dus een zwarte en een witte streep van elk 1/200 mm breed samen geldt als een lijnpaar). Zo'n raster kan ook ontstaan door de filmkorrel. Als een scanner nu toevallig zo'n lijnraster met 100 lijnparen/mm zou opnemen met 110 scans/mm (komt overeen met 2794 DPI), produceert hij de beatfrequentie 10 lijnparen/mm (110 minus 100). Deze structuur met 10 lijnparen/mm stond echter, let wel, niet op de film! Deze ontstond pas door de schending van de afscantheorie in de scanner en komt ook in de pc terecht. Hier zou men met minimaal 300 scans/mm moeten scannen (komt overeen met 7620 DPI) om de informatie op de film veilig en onvervalst in de pc te krijgen.
Nog enkele cijfers uit eerdere metingen: de filmkorrel bij TMax400 ligt bij ca. 1,7 um, bij Technical Pan bij ca. 0,7 um, beide zo goed mogelijk geschat onder de microscoop bij 1000-voudige vergroting (Franz: met een draadmaat is daar niets meer aan te doen). Daarbij werd aangenomen dat er geen zilverachtige ontwikkelaars werden gebruikt. Ook is geen rekening gehouden met korrelklonteringen die afhankelijk van de ontwikkelaar kunnen ontstaan (RODINAL!). Als men uitgaat van een regelmatige korrelrangschikking, dus korrel plus tussenruimte in korrelgrootte, leidt dat dan bij TMax400 tot 1/(2*1,7 um)=294 lijnparen/mm, bij Technical Pan tot 1/(2*0,7um)=714 lijnparen/mm als "korrelraster". Dan kan men de kritische scannerresoluties berekenen. Een TMax400 moet men ofwel scannen met minder dan 150 scans/mm (3810 DPI), wat overeenkomt met 2 keer korrel plus tussenruimte per scan (onderbemonstering, korrel gaat dan verloren) of met meer dan 900 scans/mm (22860 DPI!), wat overeenkomt met 3 scans per korrel plus tussenruimte (overbemonstering, korrel wordt netjes gescand), dan zit je aan de veilige kant. Bij de Technical Pan dan onder 350 scans/mm (8890 DPI) of boven de exotische 2100 scans/mm (53340 DPI). Deze resoluties hebben niet alleen betrekking op de sensorlijn alleen, maar op het totale systeem, dus inclusief scanoptiek en eventuele bewerking zoals onscherpmaskering. Dit zijn natuurlijk geen wetenschappelijk exacte gegevens, maar voor de praktijk voldoende richtwaarden.
Ik hoop dat de uitleg ook begrijpelijk was voor degenen die niets met natuurkunde te maken hebben.
Groeten, Wolfgang
AntiLynd
Ik hoop dat de uitleg ook begrijpelijk was voor degenen die niets met natuurkunde hebben.
Voor mij was dat in ieder geval wel het geval. Analogieën uit de muziekwereld hebben mij al menig fotografisch fenomeen verklaard. Helaas kom je ze veel te weinig tegen...
Groeten
Nils.
(glorieuze 01 punten voor het schriftelijk eindexamen natuurkunde) :ph34r:
cfb_de
Hallo Wolfgang,
Franz: met een draadteller lukt het niet meer
al duidelijk. Fatsoenlijke microscopen hebben daarvoor immers ook een schaalverdeling in de beeldopname ingebouwd of kunnen een raster over het beeld leggen :-) Of ze hebben er een digicam bovenop geschroefd, wat de weg vrijmaakt voor grotere geknoei. Inclusief het feit dat ik ondanks de Imacon-camera in het echte beeld meer zie dan er achteraf in het digitale beeld overblijft. Daarom hangt er nog steeds een camera met film bovenop de ultramoderne Leica-microscoop. Ik heb het nu over het werk.
Bovendien is bij zilverfilm de microscopie slechts beperkt geschikt om ruimtelijke frequenties op het negatief te bepalen. Helaas is de korrelgrootte alleen statistisch verdeeld, maar zeker niet altijd op elke plek gelijk... Waarschijnlijk *het* probleem van de voor kleurenbeelden geoptimaliseerde digitale scannerhulpmiddelen genaamd "ICE".
Daar moet blijkbaar van achteren door de vuist in het oog worden geknutseld wat de plastic mechanica niet voor elkaar krijgt. Zodat bij het kleurrijke beeldje het scherp omlijnde stofje kan worden herkend, dat is een leuk neveneffect. Zogezegd "het aftasttheorema in omgekeerde richting". Het vuil laat zich gewoon minder goed zien :-)
*Edit*: Verdorie. Dat moet zijn: "Het vuil laat zich gewoon beter zien :-)"
Met vriendelijke groeten,
Franz