piu58
Ik wil nog even iets zeggen over de langlopende discussie over het gebruik van het zonesysteem.
Het zonesysteem is ontwikkeld voor grootformaat; voor kleinformaat of middenformaat is het slechts in beperkte mate bruikbaar. Voor mij was het belangrijk om het te *begrijpen* en daar mijn eigen conclusies uit te trekken.
Het advies om je te beperken tot een paar films en ontwikkelaars geldt natuurlijk nog steeds. Helaas kun je dat op de lange termijn niet volhouden. Ik was van mening dat "APX 100 de film van God is". Helaas ging Agfa failliet en raakte mijn voorraad van Mirko's surrogaat op. Ik moet dus voorzichtig aan nieuwe materialen beginnen.
Hoe ga ik nu te werk? De fabrieksgegevens voor gevoeligheid en ontwikkeling zijn meestal ongeschikt. Ik wil niet zeggen dat ze verkeerd zijn, want iemand heeft daar iets gemeten en uitgeprobeerd. Maar de praktisch bruikbare gevoeligheid is meestal lager dan de opgegeven, en de ontwikkeltijd vaak te lang.
Ik koop 10 films van één soort en dan ga ik aan de slag. De eerste film belicht ik een half stopje te veel, en maak dan nog extra opnames 1 stop erover/1 stop eronder. Als ontwikkelaar gebruik ik uitsluitend RODINAL. Oké, die verdwijnt ook van de markt, dan wordt het gewoon weer R09, of Adox09 of hoe het nu ook heet. Het is praktisch hetzelfde. Deze ontwikkelaar heeft voor mij de volgende voordelen:
- goedkoop
- eenmalige ontwikkelaar. Constante kwaliteit van de ontwikkelaar, eenvoudige watertemperatuurregeling (behalve in de zomer, dan komt er soms maar 21° warm water uit de kraan)
- de eigenschappen kunnen door verdunning binnen ruime grenzen worden aangepast.
De eerste film wordt ontwikkeld in 1:50 (R09: 1:40), de tijd uit de tabel wordt met 20% verkort. Ik stel mijn films zo in dat ze eerder zacht zijn. Mijn normale papiergradatie voor een bewolkte hemel is 3. Als de zon fel schijnt en harde schaduwen werpt, kom ik meestal ook nog wel uit de voeten met gradatie 2. En als het bewolkt is, neem ik gradatie 4, dat gaat ook nog wel. Gradatie 5 daarentegen vind ik niet prettig, daar werk je moeilijk mee.
Op de eerste film kijk ik naar:
- Zijn de schaduwen goed uitgewerkt? Bij normale belichting of een afwijkende? Dat moet je bij meerdere motieven doen. -> Dit levert de effectieve gevoeligheid op, als je tussenwaarden schat met een nauwkeurigheid van een half diafragma.
- Zijn de hoge lichten te dicht? Daarvoor kijk ik naar de lucht. Zo ja (vaak het geval), moet de ontwikkeltijd verder worden verkort. In het begin is het niet zo eenvoudig te zien wanneer de hoge lichten te dicht zijn. Misschien ook een kwestie van persoonlijke smaak. Ik word wantrouwig als er bij een heldere maar bewolkte lucht ondanks matige nabelichting geen structuur in de bovenste beeldhelft komt.
Toch kun je de foto's van de eerste film goed gebruiken, er zijn meteen bruikbare resultaten. Misschien met wat meer moeite in het lab, maar zeker bruikbaar.
De tweede film belicht ik dan met de vastgestelde gevoeligheid en de eventueel nieuwe ontwikkeltijd. Die zou nu al bijna in orde moeten zijn. Ik let nu echter nog eens extra op de diepe schaduwen. Het is mij niet zelden overkomen (bijv. bij HP5+, FP4+ en hun ADOX-tegenhangers en Foma 100) dat alles er prima uitzag, met een goede grijswaardeverdeling tot in de schaduwen. Alleen de heel donkere schaduwen vallen dan weg en zijn als het ware plotseling glashelder, net als de drager. Hier helpt het dan om de ontwikkelaar verder te verdunnen, dus bijvoorbeeld naar 1:100 te gaan. De ontwikkeltijd kun je bij RODINAL heel eenvoudig berekenen:
Tijd(1:100) = Tijd(1:100, tabel) * Tijd(1:50)/Tijd(1:50, tabel)
De tijd 1:100 wordt dus ten opzichte van de fabrieksspecificaties met dezelfde factor verminderd als voor de 1:50-tijd het geval was.
Zo, dat was nu de derde film, en daarmee is het experimenteren ten einde. En alles alleen met echte foto's, geen grijskaarten, geen spotbelichtingsmeter. Gewoon met de automatische stand van de camera of de methode waarmee je je handbelichting gebruikt.
Bij zeer bewolkt weer verleng ik de ontwikkeltijd met 20% en voer ik een halve stop minder uit voor de belichting. Als ik daar pas achteraf over nadenk, lukt het ook zonder die halve stop.
Dat is mijn conclusie, wat er na alle zone-experimenten is overgebleven; zo ver heb ik het voor mijn doeleinden vereenvoudigd. De belangrijkste regels waren al bekend vóór St. Ansel:
- Belichting op de schaduwen (film 1) en ontwikkel op de hoge lichten (film 2)
- Verdunde ontwikkelaar zorgt voor een betere schaduwweergave (film 3)
Ik kom vaak tot heel andere resultaten dan wat er in tabellen staat. Het ging over het algemeen beter toen ik op mijn eigen ervaringen vertrouwde en niet op boeken, internetartikelen en ontwikkelingsinstructies. En het zonesysteem stimuleert je om je eigen ervaringen doelgericht te maken. Dat is het grootste voordeel.
Trouwens: ook hier in het goddeloze Oosten moet ik toegeven dat 'HIJ daarboven' waarschijnlijk bestaat. Als vervanging voor de APX 100 heeft HIJ Foma 100 gestuurd. Die moet wel heel anders worden ontwikkeld....
Wolfgg
Zo, nu ben ik ook toegetreden tot het illustere gezelschap van de "geregistreerden" :ph34r:.
Nu ik het heb aangedurfd om het onderwerp "zonensysteem" – dat blijkbaar met nogal wat haat-liefde wordt bekeken – hier ter sprake te brengen, moet ik nu wel even laten zien hoe ik in de praktijk te werk ga bij het kalibreren van de ketting. Adams heeft immers alleen maar geprobeerd om het onder fotografen waarschijnlijk altijd al onbeminde onderwerp "theorie" om te vormen tot een beter verteerbare kost. Want het zonesysteem is in zekere zin niets anders dan de theorie gestandaardiseerd.
Vele jaren geleden had ik het gevoel dat mijn resultaten, ondanks de grote inspanningen, 'suboptimaal' zouden kunnen zijn, wat uiteindelijk ook zo was, en bij het zoeken naar de oorzaak stuitte ik onder andere op Adams. Op basis daarvan en de reeds aanwezige theoretische kennis heb ik vervolgens mijn eigen systeem in elkaar geknutseld. Mijn huidige favoriete combinatie is APX100/RODINAL, dus binnenkort staat er noodzakelijkerwijs een nieuwe kalibratie op het programma. Dan ga ik als volgt te werk:
1) Bepaling van de ontwikkeltijden voor de gradaties N-2, N-1, N, N+1, N+2:
Dat klinkt nu als veel werk, maar met de nodige routine kost het slechts 1 middag. Eerst wordt de lichtplaat opgesteld en met dempingspapier zo ingesteld dat de belichtingsmeter bij objectmeting en de op de film afgedrukte gevoeligheid 1/4 sec bij diafragma 22 aangeeft (wat bij verwerking precies volgens de fabrikant zone V (juist 5) zou moeten opleveren; belichtingsmeters zijn zo gekalibreerd). Vervolgens kunnen de testzones -1 tot 11 zonder Schwarzschild-problemen worden belicht. Hiervoor neem ik de camera en fotografeer ik de lichtplaat 7 keer als volgt:
Zone 11: 1 sec Bl 5,6
Zone 9: 1 sec Bl 11
Zone 7: 1 sec Bl 22
Zone 5: 1/4 sec Bl 22
Zone 3: 1/15 sec Bl 22
Zone 1: 1/60 sec Bl 22
Zone -1: 1/250 sec Bl 22
Zo ontstaan er 7 velden op de film. Er wordt dus slechts elke tweede zone belicht, wat voldoende is om de karakteristieke kromme nauwkeurig genoeg te bepalen. De bovenstaande belichtingszonenummers zijn in eerste instantie slechts streefwaarden. De exacte ligging daarvan is pas bekend na het opmeten van de ontwikkelde film en wordt dan met de juiste cijfers aangeduid.
Ik maak meteen 3 filmstrips van dit type, omdat deze dan met 3 verschillende ontwikkeltijden worden ontwikkeld.
Eerst wordt 1 filmstrip ontwikkeld met de tijd die voor gradatie N wordt verondersteld. Zolang men niets nauwkeurigers weet, neemt men als ontwikkeltijd gewoon de door de fabrikant opgegeven tijd. Na het fixeren volstaat kort spoelen, gevolgd door sneldrogen met F. Nu kan men al beginnen met het opmeten. Hiervoor is geenszins een densitometer nodig, een digitale belichtingsmeter die men op EV instelt volstaat. Elke verandering van de EV-waarde met 1 komt overeen met een dichtheidsverandering van 0,3 (hogere dichtheid -> lagere EV-waarde). De film wordt eenvoudig met het te meten gedeelte op de sensor van de belichtingsmeter gelegd en van bovenaf bijvoorbeeld met een bureaulamp belicht.
Eerst zoekt men het begin van het bruikbare deel van de karakteristieke kromme, dat is de zone waarvan de dichtheid ca. 0,1D (in EV: 0,3) boven de sluier, dus een onbelichte plek, ligt. Dat zou dan zone I zijn (juist 1). Vervolgens zoekt men de zone die 1,6D (in EV: 5,3) boven de sluier ligt, dus 1,5D (passend voor papiergradatie speciaal) boven zone I. Deze zone zou 8 zones boven zone 1 moeten liggen als de ontwikkeling voor N goed was, en zou dan zone IX zijn (juist 9). Meestal zit men er iets naast, d.w.z. 1,6D ligt niet precies 8 zones hoger, maar bijvoorbeeld 7,5 of 8,5. Maar dat maakt niet uit, want zodra de twee andere filmstroken zijn ontwikkeld, zijn er voldoende gegevens beschikbaar om de optimale ontwikkeltijd voor N nauwkeurig te schatten. Op basis van deze eerste ontwikkelingsproef zie je nu hoe de 2 overige filmstroken moeten worden ontwikkeld. Eerst probeer ik de juiste tijd voor N te schatten aan de hand van de afwijking van de reeds ontwikkelde filmstrook, daarna worden de twee andere filmstroken ontwikkeld met deze tijd vermenigvuldigd met 0,75 en met 1,3. Als alle 3 de filmstroken nu ontwikkeld en droog zijn, kun je het beste de 3 karakteristieke krommen grafisch uitzetten (dichtheid over de zones). Dan is het met wat ervaring geen probleem om de ontwikkeltijden voor N-1 (na 9 zones boven zone I op 1,6D), N (na 8 zones boven zone I op 1,6D) en N+1 (na 7 zones boven zone I op 1,6D) af te lezen, wat bijvoorbeeld kan betekenen dat men een ontwikkeltijd nog met 1..2 min moet corrigeren. Het is zeker niet zo dat de genoemde zones precies op 1,6D moeten liggen; als het 1,65D of 1,55D is, wat maakt het uit, de rest kan men bij het vergroten compenseren. Het belangrijkste is immers dat men nu al heel precies weet welk contrastbereik de film bij welke ontwikkeling aankan.
De gradaties N-2 (=zone XI op 1,6D) en N+2 (=zone VII op 1,6D) zijn naar mijn mening alleen interessant voor platte filmers, omdat ze te zelden voorkomen en veel films bij N+2 ook behoorlijk goed worden. Als men ook hier nauwkeurige gegevens wil hebben, zijn nog 2 testfilmstroken nodig, die bijvoorbeeld met de ontwikkeltijd voor N eens 0,5 en eens 1,8 moeten worden ontwikkeld. Als alternatief kan men ook uit de gegevens voor N-1, N en N+1 schatten, wat echter tot fouten tot 1 diafragma kan leiden, omdat films en ontwikkelaars bij sterkere onder- of overontwikkeling verschillend reageren.
2) Bepaling van de ISO-gevoeligheden voor de gradaties N-2, N-1, N, N+1, N+2: Eerst wordt gekeken naar de karakteristieke kromme die bij N hoort. Ligt de als zone V belichte zone echt 4 zones boven de zone met 0,1D overbelichting, dus de als zone I gemeten zone? Dan heeft de film daadwerkelijk de opgedrukte gevoeligheid. Meestal stelt men echter vast dat de als zone 5 belichte zone iets lager ligt, namelijk 0,5 tot 1 zone lager. Dan zou er 1/2 tot 1 stop langer moeten worden belicht. Dat is iets wat me steeds weer tegen de borst stuit: veel filmfabrikanten geven te hoge gevoeligheden op in combinatie met te lange ontwikkeltijden. Daar boet de fotograaf dan voor in de vorm van te steile negatieven met ontbrekende schaduwen en/of slecht gedifferentieerde lichten. Uitgaande van de voor N bepaalde ISO-gevoeligheid is het in de praktijk voldoende om de belichting voor de overige gradaties als volgt te corrigeren:
N-1: diafragma 1 stap openen
N-2: diafragma 1,5 stap openen
N+1: diafragma 0,5 stap sluiten
N+2: diafragma 1 stap sluiten
Met de nu verkregen informatie over de eigenschappen van de film heeft men het in eigen hand om de karakteristieke kromme optimaal aan te passen aan het contrast van het motief en het motief voldoende nauwkeurig in de karakteristieke kromme te plaatsen. Alleen al de nu beschikbare exacte gegevens voor N (ontwikkeltijd en ISO-gevoeligheid) zijn voor mij de moeite waard. Meestal beweegt men zich immers tussen N-1 (stralende zon), N (licht bewolkte zon) en N+1 (geen zon). De afwijkingen ten opzichte van een volledig exact werkproces die nu nog optreden, liggen in het bereik van +/- 1/2 diafragma. Dat kan in het tijdperk van papier met variabel contrast gemakkelijk worden gecompenseerd bij het vergroten, vooral met de techniek van split-filtering.
Het is van cruciaal belang dat men nu de toonwaarden onder controle heeft en voldoende precies weet wat tot welke tekening (dichtheid) leidt. Men kan met recht stellen dat de bij fotografen (zowel beroeps- als amateurfotografen) wijdverbreide theorie-fobie niet bepaald bijdraagt aan de kwaliteit van de resultaten. En dat terwijl men zich toch maar één keer in zijn leven door de theorie heen moet worstelen.
Wolfgang
Wolfgg
Gast: Ik ben de afgelopen 25 jaar alleen maar dichtheidscurves tegengekomen die een S-vorm hebben. De vraag is altijd alleen maar: waar begint het bruikbare deel (D > 0,1 boven de sluier) en waar begint de curve bovenaan onaangenaam vlak te lopen (waarbij de differentiatie in de hoge lichten steeds slechter wordt). Mocht een curve eens heel plotseling "naar rechts" afbuigen, dus van een goede helling naar horizontaal omslaan, en ik wil deze tot het maximum benutten, dan zijn natuurlijk nauwkeurigere testbelichtingen nodig dan alleen om de 2e zone. Maar zoiets vervelends heb ik de afgelopen jaren alleen bij de Efke25 in RODINAL 1+75 waargenomen. Daar was bij D=1,3 gewoon een plafond.
Het zonesysteem is overigens ook uitstekend toepasbaar op kleurennegatieffilms. Toen had ik ineens verbazingwekkend exacte kleuren en, wie is er nog verbaasd, ook een paar DIN minder gemeten dan op de verpakking stond.