Er wordt immers alleen op dit deel van het kleurenspectrum ingespeeld, afhankelijk van de lichtkleur van je vergroter. Het zou dan nauwelijks mogelijk moeten zijn om een goede dichtheid te verkrijgen.
?
Het is me niet helemaal duidelijk welk deel van het kleurenspectrum je met "dit deel" bedoelt. Maar dat maakt ook niet uit. Je redenering klopt niet. Het spectrum van de gangbare vergroterlampen is in ieder geval voldoende om de spectrale gevoeligheid van het kleurenpapier volledig aan te spreken.
Dat moet ook wel, als je bedenkt dat kleurenvergroten een subtractief proces is, d.w.z. als je, zoals gebruikelijk bij kleurenvergroten, je geel-magenta-filter erin draait, worden bepaalde (in dit geval blauwgroene) spectrale delen aan het oorspronkelijke, "witte" lampenlicht
onttrokken of gedempt. Daarna gaat het licht nog door een kleurennegatief, dat eveneens als een subtractief filter werkt. Als het op deze manier subtractief gefilterde licht uiteindelijk nog steeds voldoende is om een beeld met het volledige kleurenspectrum en zwart te produceren, dan is het ongefilterde licht van de lamp zeker voldoende om alle drie de emulsies aan te spreken en zwart te produceren!
?
Het maakt ook niet uit of men een klassieke kleurenmengkop met NV-halogeenlamp of een condensorkop met opaal lamp gebruikt. De opaal lamp heeft als klassieke gloeilamp immers een continu spectrum, d.w.z. zij vertoont in tegenstelling tot de halogeenlamp geen spectrale hiaten. Daarom kan ook de opaal lamp de volledige spectrale gevoeligheid van het fotopapier bestrijken. Hoe hadden mensen anders vroeger, toen kleurmengkoppen nog niet zo wijdverbreid waren, met condensorapparaten en foliefilters kleurenvergrotingen kunnen maken?