TR
Hallo allemaal,
ik ben momenteel bezig met de vraag in hoeverre je het contrast van het negatief – in de richting van een hoger contrast – ook met de belichting kunt beïnvloeden.
Ik ga ervan uit dat zwart (zone I) altijd zwart blijft, of dat de volledig transparante delen in het negatief altijd transparant blijven, ongeacht hoe lang er belicht of ontwikkeld wordt. Dit zou dan de voorwaarde zijn voor een verhoging van het contrast – want alle andere zones 'schuiven' zowel bij het verlengen van de belichting als bij de ontwikkeling naar boven.
Op een gegeven moment zou er dan echter een sluier moeten ontstaan, die zich ook over de transparante delen in het negatief legt. Ik ga er echter vanuit dat een dergelijke sluier zich pas na extreme overbelichting of langdurige marteling in de ontwikkelaar zal vormen en dat ik sluiervorming hier kan negeren.
Nu zou het natuurlijk interessant zijn om bij motieven met een klein contrastbereik – bijvoorbeeld een landschap bij bewolkte hemel – het contrast eenvoudig te verhogen door "overbelichting". Ik heb het woord overbelichting bewust tussen aanhalingstekens gezet, want bij een dergelijke, contrastarme lichtsituatie belicht men een normale zwart-witfilm vanaf 100 ASA natuurlijk nog lang niet te veel.
Ik meet dus zo dat ook de schaduwen tekening krijgen en zou twee stops boven mijn meetwaarde belichten. Wat zou er gebeuren? Zwart zou zwart blijven. Al het andere zou "naar boven schuiven". Bovendien zou er een betere schaduwtekening te verwachten zijn. Doordat er in zone I niets zou zijn veranderd, maar alle andere zones twee waarden naar "boven zouden zijn geschoven", zou ik het contrastbereik met twee stops hebben vergroot. Nu komt mijn eigenlijke kernvraag:
Is deze manier van contrastverhoging identiek aan die waarbij het negatief langer wordt ontwikkeld? Wie weet hier meer van?
Of zit ik er fundamenteel naast met mijn theorie over contrastverhoging via belichting?
Groeten,
Thomas
MirkoBoeddecker
Ik zou zeggen dat je het mis hebt, ook al heb ik misschien niet helemaal begrepen waar het om gaat.
Je verschuift weliswaar alles naar boven, maar daardoor neemt het contrast niet toe, alleen de dichtheid. Het contrast zou toenemen als het aantal gedifferentieerde grijstinten op een grijsschaal (of zones die als grijsschaal worden weergegeven) tussen volledig zwart en volledig wit afneemt.
Of, in termen van een curve, als de helling van de karakteristieke curve in het differentiatiegebied (het "lineaire" deel) toeneemt.
In de door jou beschreven situatie zou men ONDERBELICHTEN en OVERONTWIKKELEN om het contrast te verhogen, want een langere ontwikkeling verhoogt deze helling van de curve en de onderbelichting voorkomt dat de lichten "samenvloeien".
Met vriendelijke groeten,
Mirko
Wolfgg
Hallo Thomas!
De kernvraag is: waar komen de beeldbepalende delen van de opname terecht, oftewel in welk deel van de karakteristieke kromme? Bij deze werkwijze – een motief met weinig contrast en overbelichting – zit alles duidelijk dicht opeengepakt helemaal bovenaan in het hoge-lichtgebied. Er is op zo'n opname geen transparante plek meer, alles is vrij dicht. Daarmee is niets gewonnen. Dat was de werkwijze van sommigen vele decennia geleden volgens het motto "wat erop staat, staat erop" uit angst voor onderbelichting, meestal bij gebrek aan een lichtmeter. Het doel moet zijn om alle beeldbelangrijke delen mooi over de karakteristieke kromme te verdelen tussen de onderste en bovenste kromming en zo optimaal "voedsel" voor de vergroter te creëren. Dan staat er niet alleen "alles op", maar ook met afdrukbaar contrast. En daarvoor heb je nu eenmaal een karakteristieke kromme nodig waarvan de steilheid past bij het contrast van het motief, dus waarbij de donkerste plek in het motief op de film net een zichtbare dichtheid veroorzaakt (technisch: 0,1D boven de sluier) en de lichtste plek van het motief de maximaal toegestane dichtheid voor afdrukken veroorzaakt (technisch: 1,6D boven de sluier). Dan levert de film het motief af met een contrast van precies 5 diafragma's (=1:32), passend bij papiergradatie speciaal. En deze aanpassing van de karakteristieke kromme aan het motief gebeurt door de filmontwikkelingstijd.
Het filmcontrast is het product van het door de fabrikant ingebouwde contrast en de ontwikkeling. Alleen deze twee factoren bepalen het verloop van de karakteristieke kromme. Bij de belichting wordt alleen nog bepaald welk deel van het motief waar op de meestal S-vormige curve moet liggen.
Groeten, Wolfgang
TR
Hallo en bedankt voor de reacties!
Jullie hebben me met jullie uitleg al een eind op weg geholpen.
Bij deze aanpak, dus een motief met weinig contrast en overbelichting, zit alles duidelijk dicht op elkaar helemaal bovenaan in het hoge-lichtgebied.
Zo is eigenlijk heel goed uitgedrukt wat ik tot nu toe heb kunnen vaststellen – maar: de diepe zwarttinten blijven “onderaan”. Het diepe zwart wordt toch niet lichter weergegeven – in tegenstelling tot de rest van de foto natuurlijk (het reflecteert geen licht naar de film – ook niet bij een langere belichtingstijd). Dat is wat ik dan ook bedoel met contrastverhoging.
In de meeste motieven is er echter uiterst weinig niet-lichtreflecterend zwart, zodat de contrastverhoging door overbelichting of "samenpersing" van de informatie in het hoge lichtgebied er naar mijn mening nogal vreemd uit zal zien in de richting van "high-key".
Een voorbeeld zou een kamer met wit behang zijn. Alles zou door de langere belichting lichter worden of gelijkmatig "naar boven verschuiven". Alleen de zwarte kieren tussen de lades en kastdeuren van het interieur zouden net zo weinig dichtheid op het negatief produceren als bij een kortere of "normale" belichting. Ook de plankenvloer met zijn zwarte voegen vertoont dergelijke kenmerken. Op deze plekken zou er niets veranderen. Het contrast zou dus worden verhoogd. Men zou dit negatief dus lichter kunnen vergroten en het zou technisch gezien niet fout zijn, want het maximale zwart zou bijvoorbeeld in de genoemde "kastspleten" wel aanwezig zijn.
michael-kielgmxnet
Er bestaat geen zwart dat zo diep is dat het helemaal geen licht weerkaatst, tenzij je erin slaagt een zwart gat te fotograferen. Alle voorwerpen weerkaatsen min of meer licht, ook al lijken ze voor het oog volkomen zwart. Daardoor verschuift bij overbelichting ook het diepste zwart op de karakteristieke kromme van de film.
TR
Oké, dat is logisch. Begrepen.
Morte
Ik denk ook dat die theorie over het zwart niet houdbaar is. Naast de reeds genoemde argumenten komt daar nog bij dat zelfs een denkbeeldig absoluut zwart niet op film vastgelegd zou kunnen worden, misschien in de ruimte, maar niet hier, want het licht hier beneden is nooit gericht of gepolariseerd, maar straalt in alle mogelijke richtingen uit en wordt gebroken, gereflecteerd, verstrooid enz., dat wil zeggen: zelfs het diepste zwart wordt verhuld door overstraling van aangrenzende heldere gebieden. Afgezien daarvan maakt de sterke overbelichting het negatief onaangenaam korrelig en onscherp.
Wolfgg
Thomas, er zit nog een denkfout in:
in veel motieven komt een zwart voor dat je het best als ‘ultrazwart’ kunt omschrijven. Het ligt zo diep dat het geen zin heeft om dit met de belichtingsmeter (spotbelichting) te meten en mee te nemen in de berekening van de optimale belichtingstijd. Want de bijbehorende zone ligt altijd ver onder zone 1, als je de beeldbepalende delen eens proefondervindelijk over de zones 1..9 hebt verdeeld.
Voorbeeld: een landschap met een grotingang. De achterste wand in de grot ligt bijvoorbeeld 20 stops onder de rots naast de ingang. Hoe moet je dan qua belichting rekening houden met het zwart in de grot? Als je het zwart op zone 1 zou leggen, dan zou je bijvoorbeeld zo'n 24 zones nodig hebben, dus een film die het belichtingsbereik van 24 stops aankan! Het hoofdmotief, het landschap, heeft echter slechts een contrast van misschien 10 stops en wordt bij jouw aanpak alleen nog maar samengeperst in het bovenste deel van de dichtheidscurve, dus de zones 14..24. De grot zou dan in zone 1 liggen en de zones 2..13 zouden onbezet zijn! In de vergroting zou de grotingang dan de enige zwarte plek zijn, al het andere zou lichtgrijs tot wit zijn, dus heel contrastarm.
Dus: er zijn motieven waarbij je er bewust rekening mee moet houden dat extreem donkere delen van het motief bij de belichting buiten beschouwing blijven en op de dichtheidscurve "naar links wegglijden". Hetzelfde geldt trouwens ook voor hooglichten. Hoe moet men zonreflecties op water in zones verwerken? Die liggen vaak 8 stops boven het helderste wit. Die belanden dus in het "ultrawit", dus buiten de metingen geregistreerde hoogste zone.
Groeten, Wolfgang
TR
Nogmaals hartelijk dank voor je aandacht! Ook de opmerking over het feit dat niet-lichtreflecterend zwart door "buitenlicht" wordt overschaduwd of verborgen, is voor mij erg nuttig.
Groeten,
Thomas